Bijdrage Omge­vings­visie


12 april 2017

Voorzitter,

„Ik denk dat de volgende vijftien jaar bepalend zijn voor het klimaat van de komende tienduizend jaar.” Dat zei NOS-weerman Peter Kuipers Munneke een paar maanden geleden in een lezing over klimaatverandering.

Nog vijftien jaar om klimaatontwrichting te voorkomen. Ik las deze uitspraak een aantal weken geleden in de NRC en die is meteen blijven hangen. Ik vind het een mooie uitspraak. Het maakt in één zin duidelijk om welk enorm belang het gaat – het klimaat van de komende duizenden jaren – maar ook dat we nog wel degelijk de mogelijkheid hebben om er iets aan te doen. Zij het dat we niet veel tijd meer hebben, misschien nog een jaar of 15. De uitspraak van Kuipers Munneke maakt duidelijk dat het voorkómen van verdere opwarming van de aarde een zaak is met de hoogste urgentie.

Het is deze urgentie die ik node mis in de omgevingsvisie. Ik heb goed moeten zoeken om in de omgevingsvisie iets te vinden waarin een link wordt gelegd tussen het voorgestelde beleid van dit college en het voorkómen van klimaatverandering. Uiteindelijk heb ik de volgende passage gevonden, onder het kopje Energie en milieu: "Mede door de klimaatverandering dringt het besef door dat verduurzaming noodzakelijk is. In toenemende mate erkennen we dat we op een andere manier naar onze samenleving en economie moeten kijken en naar hoe we die anders moeten organiseren".

“Mede door de klimaatverandering dringt het besef door dat verduurzaming noodzakelijk is.” Voorzitter, werkelijk? We hebben nog enkele jaren om klimaatontwrichting te voorkomen en bij het college dringt het besef door dat verduurzaming noodzakelijk is? Laat ik het zo formuleren: ietsje meer urgentie had van mij best gemogen.

Overigens, het is niet zo dat de klimaatverandering niet is doorgedrongen tot deze omgevingsvisie. Het woord klimaatverandering komt er maar liefst 44 keer in voor. Maar behalve de enkele keer die ik zojuist heb aangehaald, is dat steeds in de context van het anticiperen op klimaatveranderingen. Het gaat over het klimaatrobuust maken van steden, over het beperken van toenemende wateroverlast, over hittestress en over droogte. Met name in het kader van Regionaal Waterbeheer staat het bol van de klimaatverandering en wat we moeten doen om de gevolgen daarvan enigzins in de hand te houden.

Ik vind dit een verrassende, in mijn optiek ook een beetje onbegrijpelijke, haast gespleten visie. Wel volop anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering, maar weinig urgentie om maatregelen te nemen om klimaatverandering tegen te gaan. Het is alsof het college de moed al heeft opgegeven.

Voorzitter, dit vraagt om nadere toelichting en brengt me bij mijn eerste vragen aan het college. Het college schrijft in de omgevingsvisie dat het in toenemende mate erkent dat we op een andere manier naar onze samenleving en economie moeten kijken. Hoever is dat inzicht nu gevorderd? Is dit nog steeds dat beginnend besef of is het intussen wellicht toegenomen tot een volmondige erkenning? En als het dan een beginnend besef is, hoe moet ik dan duiden dat in het Regionaal Waterbeheer volop op die klimaatverandering wordt geanticipeert? En als het een volmondige erkenning is, waarom zien we van die noodzaak om klimaatverandering tegen te gaan dan zo weinig terug in het beleid? Ik krijg graag een uitleg hierover.

Toegegeven, we zien er wel iéts van terug in het beleid. Op het gebied van duurzame energie heeft deze omgevingsvisie een, naar mijn mening bescheiden ambitie om het aandeel energie uit duurzame bronnen te vergroten. Maar ook hier proef ik vooral terughoudendheid. Neem windenergie. Het is dat er een bestuurlijke afspraak met het Rijk ligt om in het jaar 2020 85,5 MW windvermogen geïnstalleerd te hebben in Overijssel. In de omgevingsvisie staat dat de Provinciale inpassingsplannen voor windturbines worden ingezet tot die taakstelling van 85,5 MW is gehaald. En dus blijkbaar vooral ook niks meer.

Toch kan het, als je de urgentie van verduurzaming tot je laat doordringen, daar niet bij blijven. Het jaar 2020, dat is al over 3 jaar. Terwijl het ontwikkeltraject voor een windenergieproject al gauw 5 tot 8 jaar duurt. Dus als we nu geen visie hebben hoe het na 2020 verder gaat met windenergie in onze provincie, dan valt die ontwikkeling straks weer helemaal stil. Vandaar mijn volgende vraag aan het college: Welke visie, welke ambitie heeft het college voor windenergie in Overijssel na het jaar 2020?

Als we het hebben over klimaatverandering, dan moeten we het ook hebben over landbouw. Zoals u ongetwijfeld weet is de landbouwsector direct verantwoordelijk voor ongeveer 14% van de totale uitstoot aan broeikasgassen in Nederland. En dan hebben we het nog niet eens over het transport van veevoer, de ontbossing voor sojaplantages en andere klimaateffecten elders in de wereld als gevolg van de Nederlandse veeindustrie.

Maar ook hier moet ik constateren dat de relatie tussen landbouw en klimaat in deze omgevingsvisie nagenoeg ontbreekt. Wat betreft landbouw wordt door de provincie nog steeds ingezet op verdere schaalvergroting. Daarbij voorbijgaand aan de kwalijke consequenties die dit heeft voor de leefomgeving, de volksgezondheid, natuur en milieu, maar ook voor de boeren. Denk alleen maar wat het loslaten van het melkquotum voor dramatische gevolgen heeft. Juist ook voor de boeren zelf.

En dus niets over de invloed van landbouw op het klimaat. Of is dit voor het college nog steeds die ongemakkelijke waarheid waar we het beter niet over kunnen hebben? Ik denk dat die benadering echt onverstandig is. Nog vorige week kwam het Planbureau voor de Leefomgeving met een rapport over de nationale kosten van de energietransitie, en daaruit blijkt dat klimaatmaatregelen in de landbouw een grote, en kosteneffective bijdrage kunnen leveren aan de klimaatdoelen voor het jaar 2030.

Daarom komen wij vandaag met een motie waarin we Gedeputeerde Staten verzoeken om de broeikasgasemissies van de Overijsselse landbouw in kaart te brengen en de mogelijke maatregelen voor emissiereductie op een rijtje te zetten.

Ik lees het dictum nog even voor: [..] verzoeken GS het totaal aan broeikasgasemissies van de Overijsselse landbouw en mogelijke maatregelen voor emissiereductie in kaart te brengen.

Voorzitter, ik kan me zomaar voorstellen dat uw college en de Partij voor de Dieren hele verschillende visies hebben over waar het met de landbouw en vooral met de veeindustrie naar toe moet. Maar ik denk dat we elkaar op één punt zouden moeten kunnen vinden en dat is dat goed beleid begint met goed te weten waar we nu staan en goed te weten welke wegen open liggen. Ik vraag het college daarom om enige welwillendheid ten aanzien van ons verzoek om de klimaatafdruk van de landbouw in kaart te brengen. Niet omdat ik hier vandaag nieuw ben of omdat dit mijn eerste bijdrage is – hoewel ik het ook om die reden buitengewoon zou waarderen – maar vooral voor het klimaat op onze planeet. Het is tenslotte de enige planeet die we hebben.

Voorzitter, we hebben nog 15 jaar om klimaatontwrichting te voorkomen. De tijd dringt. Laten we die goed gebruiken.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer