Schrif­te­lijke vragen houd­baarheid en hand­having van PASver­gun­ningen


Aan de voorzitter van Provinciale Staten van Overijssel

Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat het PAS in strijd met de Habitatrichtlijn is vastgesteld. Deze uitspraak heeft grote gevolgen voor de verlening van toestemmingen voor activiteiten die stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden veroorzaken waar de kritische depositiewaarde voor stikstof is overschreden.

Voor het bepalen van de gevolgen voor bestaande vergunningen die met toepassing van het PAS tot stand zijn gekomen – en die dus zijn afgegeven in strijd met het Europees recht – wordt onderscheid gemaakt tussen onherroepelijke vergunningen en niet onherroepelijke vergunningen.

In een van de landelijk gemaakte afspraken (#3) wordt de mogelijkheid voor provincies open gehouden om een handhavingstraject te starten, indien initiatiefnemers – vooruitlopend op een onherroepelijke vergunning – het project al gerealiseerd hebben.

Daar waar niet onherroepelijke vergunningen door de rechter ongeldig worden verklaard, gaat de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ervan uit dat onherroepelijke vergunningen van kracht blijven (PS/2019/0177345). Bij dat oordeel zijn echter kanttekeningen te plaatsen.

Artikel 5.4, lid 1.c van de Wet natuurbescherming (Wnb) stelt namelijk dat “een bij of krachtens deze wet verleende vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd indien: de vergunning, onderscheidenlijk ontheffing in strijd met wettelijke voorschriften is verleend”. Sterker nog, uitvoering van artikel 6, tweede lid Habitatrichtlijn kan het in voorkomende gevallen zelfs noodzakelijk maken om een verleende vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen.

Daarbij zijn de provincies (en niet de minister) bevoegd gezag voor zowel gebieds- als soortenbescherming.

Het is dus mogelijk voor de provincie om onherroepelijke vergunningen in te trekken of te wijzigen.

Het college/de Commissaris van de Koning wordt verzocht de volgende artikel 59-vragen schriftelijk te beantwoorden:

Vragen over niet onherroepelijke vergunningen:

1. Heeft het college zicht op het aantal gevallen waarin initiatiefnemers het project (gedeeltelijk) hebben gerealiseerd, vooruitlopend op het onherroepelijk worden van een verleende PAS-vergunning?

2. Is het college voornemens om in dergelijke situaties handhavend te gaan optreden?

3. Welke criteria worden hierbij gehanteerd?

Vragen over onherroepelijke vergunningen:

4. Is het college het met ons van mening dat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om een reeds onherroepelijke vergunning in te trekken of te wijzigen?

5. Is het college het met ons eens dat deze bevoegdheid bij de provincie ligt en niet bij de minister?

6. Overweegt het college om gebruik te maken van deze bevoegdheid?

7. Welke situaties komen daarvoor in de eerste plaats in aanmerking?

8. Wie betaalt de rekening voor de economische schade die voortvloeit uit het intrekken of wijzigen van reeds onherroepelijke vergunningen?

Antwoorddatum: 30 okt. 2019

Geachte heer Folkerts,

U heeft ons op 18 september 2019 schriftelijke vragen gesteld over houdbaarheid en handhaving PASvergunningen (2019/0285517). In deze brief geven wij antwoord op uw vragen.

Vraag 1.

Heeft het college zicht op het aantal gevallen waarin initiatiefnemers het project (gedeeltelijk) hebben gerealiseerd, vooruitlopend op het onherroepelijk worden van een verleende PAS-vergunning?

Antwoord 1

Nee, hier hebben wij geen zicht op. Slechts in enkele gevallen (bij vijf agrarische bedrijven) is dit onderzocht. In die gevallen liepen namelijk beroepsprocedures tegen PAS-vergunningen waarbij ook een voorlopige voorziening werd gevraagd om de PAS-vergunningen te schorsen. De rechter toetste daarbij in hoeverre het vergunde project was gerealiseerd. In alle overige gevallen was er geen aanleiding dit te onderzoeken.

Vraag 2.

Is het college voornemens om in dergelijke situaties handhavend te gaan optreden?

Vraag 3.

Welke criteria worden hierbij gehanteerd?

Antwoord 2 en 3

Nee, in eerste instantie niet.

De PAS-vergunningen die niet onherroepelijk zijn geworden omdat daartegen beroep is ingesteld, zijn inmiddels door de rechter vernietigd. In die gevallen resteert de aanvraag, die op het PAS is gebaseerd, waar wij een nieuw besluit op moeten nemen. Voor de afhandeling van deze aanvragen hebben wij de betreffende initiatiefnemers twee keuzemogelijkheden voorgelegd:

1. de aanvrager kan de aanvraag zelf intrekken;

2. de aanvrager kan de aanvraag aanvullen als een nieuw handelingskader voor vergunningen wordt opengesteld.

Keuzemogelijkheid 2 bieden wij, omdat de aanvragers vertrouwden op de PAS-regelgeving. Ook de andere provincies hanteren deze werkwijze.

Wij gaan de initiatiefnemers die hebben laten weten dat ze de aanvraag willen intrekken bezoeken om te bekijken of ze de aangevraagde activiteiten toch gerealiseerd hebben. Indien dit het geval is, schrijven we deze initiatiefnemers aan. Deze initiatiefnemers moeten dan alsnog een aanvraag volgens het nieuwe vergunningenstelsel indienen. Doen zij dit niet, dan moeten ze de situatie in overeenstemming brengen met eerder verleende vergunning(en)/bestaande rechten.

Vraag 4.

Is het college met ons van mening dat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om een reeds onherroepelijke vergunning in te trekken of te wijzigen?

Antwoord 4

Ja, in artikel 5.4 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) is omschreven in welke gevallen een krachtens die wet verleende vergunning of ontheffing ingetrokken of gewijzigd kan worden. Recent heeft de Rechtbank Oost Brabant een uitspraak gedaan over de criteria voor het gebruik van deze bevoegdheid.

Vraag 5.

Is het college het met ons eens dat deze bevoegdheid bij de provincie ligt en niet bij de minister? Antwoord 5

De bevoegdheid tot intrekking of wijziging ligt bij het bevoegd gezag. Hoofdregel is dat Gedeputeerde Staten van de provincie waar het project wordt gerealiseerd of waar de handeling wordt verricht het bevoegd gezag is (artikel 1.3, eerste lid van de Wnb). In bepaalde gevallen is de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het bevoegd gezag (zie artikel 1.5, vijfde lid van de Wnb in combinatie met titel 1.2 van het Besluit natuurbescherming). Het gaat dan onder meer om hoofdwegen en hoofdvaarwegen, primaire waterkeringen en burgerluchthavens Van nationale betekenis'.

Vraag 6.

Overweegt het college om gebruik te maken van deze bevoegdheid?

Vraag 7.

Welke situaties komen daarvoor in de eerste plaats in aanmerking?

Antwoord 6 en 7

Op dit moment werken wij samen met de andere provincies en het Rijk aan de invulling van het advies "Niet alles kan' van het Adviescollege Stikstof problematiek. Het Adviescollege adviseert (onder meer) voor de veehouderij een 'selectieve, gebied specifieke en doelgerichte reductie van de ammoniakemissies, door gerichte verwerving of sanering van agrarische bedrijven met relatief hoge emissies of verouderde stalsystemen in en nabij kwetsbare Natura 2000-gebieden'. Dergelijke verwervingen of saneringen leiden uiteindelijk tot het intrekken van vergunningen.

Het Adviescollege adviseert verder om de afspraken die onder het PAS zijn gemaakt over de realisatietermijn van twee jaar na het onherroepelijk worden van PAS-vergunningen weer op te pakken. Ook dit kan leiden tot (gedeeltelijke) intrekkingen van onherroepelijke PAS-vergunningen.

Vraag 8.

Wie betaalt de rekening voor de economische schade die voortvloeit uit het intrekken of wijzigen van reeds onherroepelijke vergunningen ?

Antwoord 8

Het bevoegd gezag dat de betreffende vergunning intrekt of wijzigt. In artikel 6.3 van de Wnb is een nadeelcompensatie-regeling opgenomen voor degene die schade lijdt als gevolg van besluiten op grond van de Wnb, waaronder intrekking of wijziging van een onherroepelijke vergunning. Dit geldt overigens niet voor een intrekking of wijziging als gevolg van toezicht op de 'tweejaarstermijn' (zie laatste alinea antwoord 6).

Met vriendelijke groet. Gedeputeerde Staten van Overijssel,

voorzitter, A.P.Heidema