Amen­dement: Bedreigde soorten van de vrij­stel­lings­lijst af


26 september 2018

De ondergetekende(n) stelt/stellen de volgende wijzigingen voor in het ontwerpbesluit van statenstuk PS/2018/494:

Beslispunt 1 als volgt te wijzigen:

a. de Actualisatie Omgevingsvisie en Omgevingsverordening 2017 /2018 met IDN-kenmerken NL.IMRO.9923.phVisie004-va01 en NL.IMRO.9923.phVerordening004-va01 gewijzigd vast te stellen;

b. aan de door GS voorgestelde wijzigingen de volgende wijzigingen toe te voegen:

  • In de Omgevingsverordening wordt in artikel 7.4.1, lid 1 de eerste zin als volgt gewijzigd:

    “In afwijking van het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, onder a van de Wet is het toegestaan om de in bijlage 9a bij deze paragraaf aangewezen soorten opzettelijk te vangen.”;

    • In bijlage 9a bij titel 7.4 van de Omgevingsverordening worden de diersoorten bunzing, egel, hermelijn, ondergrondse woelmuis en wezel geschrapt;
    • In de Omgevingsverordening wordt de toelichting op regels bij titel 7.4 vervangen door de volgende tekst:

    “De Wet Natuurbescherming biedt de mogelijkheid om soorten vrij te stellen van de in de Wet opgenomen verbodsbepalingen. Deze soorten mogen opzettelijk worden gevangen en gedood indien dit nodig is in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud. Het betreft algemeen voorkomende soorten die niet in hun voortbestaan werden bedreigd en ook niet het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd. De staat van instandhouding van de soort mag niet in gevaar komen. Het betreft hier uitsluitend soorten die zijn beschermd op grond van artikel 3.10, eerste lid, van de Wet, de zogenaamde nationaal beschermde soorten. Deze soorten zijn niet beschermd op grond van de in artikel 3.5, van de Wet genoemde bijlagen bij de Habitatrichtlijn en internationale verdragen. Daarom is op grond van artikel 3.10, tweede lid, van de Wet een vrijstelling voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud mogelijk.

    De soorten die onder deze titel vallen, zijn soorten die onder het regime van de Flora- en faunawet waren vrijgesteld en op grond van de Wet als nationale soorten zijn beschermd. Voor deze soorten handhaaft de provincie Overijssel de vrijstellingen die onder de Flora- en faunawet golden. Een vijftal soorten die onder de Flora- en faunawet waren vrijgesteld worden niet langer vrijgesteld. Het betreft de bunzing, egel, hermelijn, ondergrondse woelmuis en wezel. Voor de bunzing, hermelijn en wezel zijn onvoldoende gegevens bekend om aannemelijk te maken dat de staat van instandhouding niet in gevaar komt. De hermelijn staat bovendien op de Overijsselse aandachtsoortenlijst. De trend van de egel is niet stabiel. Daardoor voldoen deze soorten niet langer aan de wettelijke criteria om voor vrijstelling in aanmerking te komen. De ondergrondse woelmuis is sinds 1990 niet meer waargenomen in Overijssel en wordt om die reden niet langer vrijgesteld. De overige soorten in bijlage 9a komen algemeen voor en de populaties van deze soorten verkeren in een gunstige staat van instandhouding. Tevens is het, juist bij soorten die zeer algemeen voorkomen, niet gewenst dat voor elke ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of elke ingreep in het kader van beheer en onderhoud een ontheffing aangevraagd moet worden. Soms is het ook in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna nodig om dieren te vangen. Bijvoorbeeld bij het overzetten van amfibieën. Uiteraard blijft wel de algemene zorgplicht (artikel 1.12 van de Wet) van toepassing. Dit betekent dat het opzettelijk vangen van de vrijgestelde diersoorten zoveel mogelijk voorkomen moet worden. Tevens moet er worden bekeken of voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, dan wel het bestendig beheer en onderhoud niet op een andere manier uitgevoerd kan worden waardoor opzettelijk vangen niet nodig is.”

    Toelichting

    Met de voorgestelde wijziging wordt de vrijstellingsregeling geactualiseerd en verduidelijkt.

    Bij de inwerkingtreding van de Wet Natuurbescherming zijn destijds in de Omgevingsverordening Overijssel de regelingen uit de Flora- en faunawet beleidsarm overgenomen. Een van die regelingen is de vrijstellingslijst zoals opgenomen in bijlage 9a van de verordening waardoor soorten gevangen kunnen worden als er bestendig beheer en onderhoud wordt gepleegd in bijvoorbeeld de landbouw of langs wegen en watergangen.

    De Wet geeft de mogelijkheid om soorten te vangen en te doden. In de Overijsselse verordening is bepaald dat de aangewezen soorten alleen gevangen en niet gedood mogen worden. Uit de tekst in de verordening kan gelezen worden dat er gedood mag worden, terwijl de regeling die mogelijkheid niet biedt. Dit is verwarrend. Om die reden wordt in het voorstel (artikel 7.4.1, lid 1) alleen nog gesproken van vangen.

    Zoals geschreven staat in de toelichting bij titel 7.4 gelden de vrijstellingen die onder deze titel vallen voor soorten die algemeen voorkomen en waarvan de populaties verkeren in gunstige staat van instandhouding. Voor een viertal soorten is dat niet het geval of onvoldoende aantoonbaar en één soort lijkt niet in Overijssel voor te komen. Daarom wordt voorgesteld deze soorten niet langer vrij te stellen.

    Luuk Folkerts
    Partij voor de Dieren

    Annemieke Wissink
    Partij van de Arbeid

    Naar aanleiding van een toezegging van de gedeputeerde is dit amendement ingetrokken. Om de toezegging definitief vast te leggen - deze hadden we immers al twee keer eerder ontvangen en is na twee jaar nog altijd niet nagekomen - dienen we een motie in.


    Status

    Ingetrokken

    Voor

    Tegen

    Wij staan voor:

    Help mee aan een betere wereld

        Word lid Doneer