Schrif­te­lijke vragen giftige bollen­velden


Aan de voorzitter van Provinciale Staten van Overijssel

Uit het Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden blijkt dat meer omwonenden van Nederlandse bollenvelden langer bloot worden gesteld aan hogere concentraties van die pesticiden, dan tot nu toe bekend.[1]

In Overijssel zijn 41 bedrijven die lelies telen met een areaal van 815 hectare (CBS, 2018) en er zijn, terecht, grote zorgen onder omwonenden.

Het college/de Commissaris van de Koning wordt verzocht de volgende artikel 59-vragen schriftelijk te beantwoorden:

  1. Is het college bekend met de uitkomsten van het Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden?
  2. Hoe zorgt het college dat het gifgebruik in de Overijsselse landbouwsector wordt teruggedrongen?
  3. Welke mogelijkheden heeft de provincie om het gifgebruik in de Overijsselse lelieteelt aan banden te leggen?
  4. Kan de provincie spuitvrije zones instellen ter bescherming van omwonenden?
  5. Kan de provincie gebieden uitsluiten voor bollenteelt?

[1] https://nos.nl/artikel/2274792-meer-blootstelling-aan-gif-bij-bollenvelden-dan-gedacht.html

Antwoorddatum: 24 apr. 2019

Geachte heer Folkerts,

U heeft ons op 7 maart 2019 enkele schriftelijke vragen gesteld over giftige bollenvelden. Aanleiding voor uw vragen zijn de resultaten van het Onderzoek Bestrijdingsmiddelen Omwonenden (OBO) van het RIVM.

Vraag 1:
Is het college bekend met de uitkomsten van het Onderzoek Bestrijdingsmiddelen Omwonenden?

Antwoord 1:
Ja.
Het rapport is op 10 april 2019 met toezending aan de Tweede Kamer openbaar gemaakt.

Vraag 2:
Hoe zorgt het college dat het gifgebruik in de Overijsselse landbouwsector wordt teruggedrongen?

Antwoord 2:
Wij hebben geen (wettelijke) bevoegdheden in het gebruik of het terugdringen van (emissies) bestrijdingsmiddelen. Voor wat betreft de Agro & Foodsector in Overijssel werken wij in onze provincie aan een verdere verduurzaming van de keten(s). Het zuinig en zorgvuldig omgaan met onze omgeving, de bodem en de kwaliteit van ons grond- en drinkwater door de primaire sector is hierin een prominent onderdeel. Wij laten ook zien hoe: het Streekproduct van ALDI dat is ontstaan uit de samenwerking tussen supermarkt, agrariërs en overheid is hiervan een goed voorbeeld. Door de korte kringloop van productie en verwerking hebben deze producten een hele kleine ecologische footprint en dragen ze tegelijkertijd bij aan het landschapsbeheer van Overijssel en omgeving. Bij de productie wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van gewasbeschermingsmiddelen met een lage milieu-impact. Ook andere initiatieven zoals in de zuivelketen hebben onze steun: bijvoorbeeld de door JUMBO geïntroduceerde dagverse melk en yoghurt met het 1 ster Beter Leven keurmerk of de verduurzamingsaanpak van FrieslandCampina die als eerste zuivelonderneming aan het keurmerk ‘On the way to PlanetProof’-keurmerk voldoet.

Vraag 3:
Welke mogelijkheden heeft de provincie om het gifgebruik in de Overijsselse lelieteelt aan banden te leggen?

Vraag 4:
Kan de provincie spuitvrije zones instellen ter bescherming van omwonenden?

Vraag 5:
Kan de provincie gebieden uitsluiten voor bollenteelt?

Antwoord 3, 4 en 5:
Het provinciale Agro & Foodbeleid kent geen doelgroepbenadering of regeling voor specifieke sectoren van landbouw. Het richt zich op het verduurzamen van de hele keten. Het is aan de desbetreffende ondernemer waar en hoe hij/zij aan deze verduurzamingseisen invulling geeft. Onderdeel van de verduurzamingsopgave is de volksgezondheid.
In het belang van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, waaronder de volksgezondheid, heeft de provincie de mogelijkheid om ruimtelijke regels stellen, (spuitvrije) zones of gebieden te benoemen en/of aan te wijzen waar bollenteelt niet is toegestaan die gemeenten in hun bestemmingsplannen moeten opnemen. Dit kan alleen als de gezondheid van omwonenden gevaar loopt en er geen alternatieven zijn.
In het belang van het milieu kunnen decentrale overheden regels stellen voor zover andere
rijksregelgeving hierin niet voorziet. Voor wat betreft de bescherming van de kwaliteit van het grondwater bevat onze provinciale omgevingsverordening hiertoe regels over handelingen in bepaalde (milieu)beschermingsgebieden. Een generieke beperking voor het gebruik of het in of op de bodem brengen van bestrijdingsmiddelen is in dit kader niet mogelijk. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden regelt het mogen hebben, gebruiken, vervoeren of op of in de bodem brengen van schadelijke stoffen of bestrijdingsmiddelen. Het toelatingsbeleid van deze middelen ligt bij het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb).
In het OBO zijn geen onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid naar voren gekomen. Ook zijn er geen grenswaarden overschreden. In de huidige toelatingsmethodiek door het Ctgb wordt blootstelling ook niet onderschat. Aan de geconstateerde lacunes in de beschikbare kennis voor onder andere kwetsbare groepen zoals jonge kinderen en combinaties van stoffen wordt met vervolgonderzoek uitwerking gegeven. Wij zien om die reden op dit moment geen aanvullende rol of mogelijkheden voor provinciale maatregelen.
Tegelijkertijd blijft het gebruik van bestrijdingsmiddelen ons zorgen baren. Het signaal van de kennislacunes in verband met bijvoorbeeld de risico’s gerelateerd aan de blootstelling van kwetsbare groepen, vinden ook wij een belangwekkend signaal. Naast de directe effecten voor de mens, hebben bestrijdingsmiddelen ook hun effect op de bodem- en de waterkwaliteit en op de flora en fauna. Het overschrijden van normen en het aantreffen van stoffen en residuen in grond- en oppervlaktewater is om die reden structureel onderwerp van overleg met het Rijk. In de Delta-aanpak Waterkwaliteit werken waterbeheerders, drinkwaterbedrijven, zorg- en landbouworganisaties, natuurorganisaties, industrie en de kennisinstituten hard om de problematiek van nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen, medicijnresten en opkomende stoffen in water aan te pakken. Met andere provincies hebben wij vorig jaar de minister verzocht om de toelating van gewasbeschermingsmiddelen aan te scherpen, zodat normoverschrijdingen niet meer voorkomen. Ook hebben wij haar gevraagd om op Europees niveau te werken aan een betere afstemming tussen het toelatingsbeleid voor gewasbeschermingsmiddelen en het beleid met betrekking tot het voorkomen en verminderen van gevaarlijke verontreinigende stoffen zoals vereist vanuit de Kaderrichtlijn Water. Alleen op die manier kunnen wij de drink- en strategische grondwatervoorraad voor toekomstige generaties veiligstellen.

Gedeputeerde Staten van Overijssel